Rob van Koningsbruggen, een schilder zonder program

Een schilder zonder program

Rob van Koningsbruggen


Fons Heijnsbroek


Het is moeilijk om over een schilder van deze tijd te schrijven die me zo nabij staat in zijn manier van kunst maken. Er is blijkbaar sprake van bloedverwantschap onder kunstenaars en kunstenaressen; je ruikt al uit een schilderij of er familie van je hangt of niet. En ruik je familie, je broers je zussen, want anders ben je in deze versplinterende samenleving waar het bed van de traditie de poten allang is afgezaagd slechts een eenzaam en verward veertje.

Rob van Koningsbruggen zijn werk zag ik in het Gemeentemuseum in Den Haag. Een aanrader was deze tentoonstelling als je van fundamenteel schilderen houdt. Bij hem ruik ik bloedverwantschap: hij schildert zonder program en hij durft het aan om te wachten, tot het moment dat de muze hem bezoekt.
Zijn tentoonstelling beneden in het Gemeentemuseum liet verschillende fasen van zijn werk zien. Van het begin zijn er de werken op papier, slechts in zwart wit en grijs, met heel gevoelig betekengeschrijf in banen of golven over het papier. Ik kende deze werken nog niet en was verbaasd over de subtiliteit van de lijnen en de speelsheid ervan, en over de zwierigheid van zijn hand.
Daarna zag ik enkele van zijn beroemde 'schuif'schilderijen. Technisch vind ik het interessant omdat ik zelf schilder en daarom graag zie hoe kleurbanen zich mengen of juist afgrenzen. Toch is het voor mij te weinig om een heel schilderij te voeden, omdat de techniek van het over elkaar heen schuiven van twee doeken zo duidelijk in alles overheerst en er niets extra's aanwezig is dan de kleurmenging.Ik weet dat het hiermee een pure vorm van informele kunst benadert en dat men in kunstkringen vol verwachting was, maar in mijn ogen slaat het idee en de techniek de doeken dood. Zeker als je er vier van gezien hebt.

Voor mij gebeurde 'het' in de schilderijen daarna. Daar is de Koningsbruggen die mij fascineerde, telkens als ik in de afgelopen tien jaar hier en daar, twee, drie van zijn schilderijtjes tegenkwam. Nooit waren het er meer, alsof zijn schilderwerk zich terugtrekt en verstopt, parallel aan hun kleine formaten. Ik zag dus al erg lang uit naar deze tentoonstelling.
Deze man gooit zichzelf daadwerkelijk in het diepe, in de wereld van het onzichtbare, om een tijd later met een schilderij boven te komen. Er is geen program, er is geen techniek en er is geen verhaal. Er is zelfs nauwelijks een benadering. Wel een vorm die losjes van tevoren afgesproken is als een toevallig aangetroffen mal. En er is ook die kenmerkende dwarsigheid van het schilderen van Van Koningsbruggen en het lef om ergens in het doek gewoon maar te beginnen. Dat zie je aan de opbouw van de doekjes: er zit een flink stuk 'toevallen' in wat zich alleen maar in een schilderij kan nestelen als het niet wordt tegengehouden door denken, door afspraken of door ferme voornemens. Of nog erger, als het niet op tijd herkend wordt en er ongemerkt wordt uitgeveegd.
Het is alsof de schilder zichzelf tot een luisterend vacuŁm maakt en slechts op zijn groeiend schildersvermogen koersend de niet-wereld van het schilderen intrekt, aan de andere kant van het bestaande. Het zijn voorstellen aan het onzichtbare om zich zichtbaar te willen maken op het kleine stukje doek.

Ik ken geen Nederlandse schilder die zich zo radicaal laat bezoeken door wat hem toevalt als juist deze man. Waarbij hij toch zijn werk weet te richten en stabiel laat uitgroeien, en zich niet heen en weer laat sleuren door het machtige toeval als een willoze pop. Integendeel: hij laat ons als kijker weliswaar alle hoeken van de kamer zien en sleurt aan onze ogen, maar wil je over het schilderen leren, kijk dan naar Van Koningsbruggen! Je hebt geen opleiding of cursusboeken meer nodig.

Voor mij als kunstenaar ontstaat de treiterige vraag hoe ver je kunt komen met deze benadering. Ik kan niet meer naar het schilderen kijken zonder eigen belang. Maar het heeft geen enkele zin om zoiets in het algemeen te vragen, hoe groot die verleiding ook is, want zo vraag ik telkens weer naar de ultieme formule van een gegarandeerd goede schildersontwikkeling. Het is alsof je zo het leven van een goede kunstenaar wilt terugspoelen om de juiste procedure te vinden tot het maken van goed werk. Maar er is geen juiste procedure. Dat is van kunst de wrede paradox: een juiste procedure ontstaat slechts. Ik moet dus zeggen: hoe ver komt Van Koningsbruggen met zijn benadering?

Er is geen juiste procedure!!

Hij komt wat mij betreft ver. Ik zie in veel van zijn doekjes volstrekt nieuwe vormen en nieuwe beeldtaal ontstaan, binnen een structuur die wel degelijk samenhang bezit maar mij tegelijkertijd ook de nodige onbekendheid geeft. Hij gooit mij voortdurend in het diepe, terwijl ik langzamerhand toch wel wat van het schilderen heb geproefd. En dan zijn kleurmengingen en -verhoudingen: voor mij zijn ze ongekend. Zo sterk zelfs dat ik nauwelijks weet wat ik ter plekke onderga als ik voor zijn doeken sta: zo'n ongekendheid aan kleurmťlange krijgen mijn ogen daar te ondergaan.
Maar soms schept zijn schildersintuÔtie visuele beelden die ik ook na lang kijken niet kan volgen, een onderliggende samenhang blijft afwezig en er dreigt gevaar van versplintering. Het onvermijdelijke risico, van zo'n onderneming.

En: waar komt ie niet? Het is nogal lastig om dit te ontdekken en zeker om het scherp en duidelijk aan te wijzen. Maar het hielp mij door in een aantal van zijn meest recente doeken ineens de gekleurde aardewerkpotjes te herkennen die in stillevens uit de Gouden eeuw door de schilder graag werden geplaatst; fabuleus en los geschilderd, maar toch in een stevig overtuigend beeld tonen ze daar zelfbewust rijkdom en een paradox van robuuste verfijndheid.
Er ontstaat voor mij in het recente werk van Van Koningsbruggen een vergelijkbaar soort sierkunst, weergaloos en onbekend. De kleur en de verf blijven bovenop liggen en strelen daar mijn ogen; ze komen mijn teugelloze nieuwsgierigheid ruimhartig tegemoet. Maar ik krijg geen contact met een innerlijk beeld. Er ontstaat geen ankerpunt waarop alles zich kan hechten; waardoor al het geschilderde wordt samengebonden en betekenis krijgt in een onnoembare inhoud. Er komt een scheiding tussen materie en het onnoembare, omdat de intentie van de materie het niet meer op kan roepen.

Bij sommige eenvoudige doekjes gebeurt dat wel. Eigenlijk zijn deze maaksels het meest gewaagd omdat ze zo eenvoudig van vorm zijn dat je als kijker bijna gegeneerd raakt over het weinige wat er te zien is. Tot het moment dat je er contact mee maakt. Dat ogenblik doet met zo' uitgebeende eenvoud altijd pijn, omdat je zoveel mist: lekkere kleuren, spannende grenzen of contrasten. Juist niet alles wordt getoond en als kijker wordt je gedwongen om de deuren van je eigen voorraadkasten open te gooien. Wat ligt daar opgeslagen van het ondergaan van de schepping? Is het nog vers, ademt het nog, of ziet het helaas beschimmeld?

Het is als met de eenvoud
van de kruisvorm

Het is als met de eenvoud van de kruisvorm, in alle eeuwen herhaald. Soms zie je het kruis zo verschrikkelijk sober en essentieel, bijvoorbeeld op de muren in de oude kerk van Winterwijk: 13e eeuwse primitieve kruisvormen die het helemaal afleggen bij de zwierige en kleurige muurschilderingen van de eeuw daarna, maar die door hun eenvoud verpletterend en massief bij je binnenkomen om nooit meer je herinneren te verlaten. Maar hiermee zijn we op het grensvlak, oftewel op de bodem van de schilderkunst terechtgekomen waar veel gesneuvelde scheepswrakken liggen. We roeren hier in de oersoep van het schilderen, om maar eens op Wittgenstein te variŽren. Die verrukkelijke oersoep, waarin de schepping staat of roert. Maar wie waagt zich daar in? Van Koningsbruggen dus, nu en dan.

Fons Heijnsbroek


- boeiend interview met Rob van Koninsbruggen