Het Hollands impressionisme van Jacob Marisen zijn industriële montage
Als het Teylers museum in Haarlem een tentoonstelling organiseert die niet vanuit haar eigen bezit tot stand is gekomen, dan spits ik de oren. Ik herinner me meteen de fantastische tentoonstelling van Morandi, aldaar. Zo'n gedenkwaardig instituut, waar het oeroude paleontologische èn de eerste wortels van het industriële tijdperk samenkomen in het wat rommelig-classicistisch onderkomen van de weetgierige Haarlemse burgerij. Uit zo'n smeltkroes kan niet anders dan een bijzondere legering komen. Dus zette ik mijn weerstand tegen het vele te verwachten grijs opzij en ging met een kunstkompaan op weg naar 'Jacob Maris in het Teylers'. De tentoonstelling van Jacob Maris hangt weliswaar in de nieuwe uitbouw, maar zijn schilderijen sluiten naadloos aan bij de twee vaste schilderijenzalen van het Teylers. Want ook in zijn doeken ademen nog de Lage Landen in hun agrarische fase. Het leven is er nog gebaseerd op seizoenen, ook al werden binnenskamers de eerste grondslagen gelegd van wat later de chemische en industriële productie zou gaan heten. Om iets preciezer te zijn: tijdens het schilderen van Jacob Maris voltrok deze zich in haar eerste en overweldigende fase. Vanaf ons binnenkomen stoorden we met ons voortdurende kunstgebabbel vlak voor de schilderijen van Maris de schaarse bezoekers in hun zwijgende kijken. Zo werkt dat bij ons, ter plekke moet de balans opgemaakt worden, de inzichten bijgesteld en meteen in het schilderij het geponeerde getoetst, met daartussenin de nodige zwijgtijd om ook de ogen te laten kijken. Een ideale manier van kunst kijken!! Mijn kompaan genoot deze keer intens, ik wat minder.Ik voelde me hoe langer hoe ontevredener worden. Jacob Maris is één van mijn eerste grote jeugdliefdes die ik niet overeind kan houden, en met zoveel van zijn stadslandschappen voor mijn neus werd dit onmiskenbaar. Steeds duidelijker wordt het me dat het bekijken van zijn doeken me sterk doet terugverlangen naar het vormvaste schilderen van Weissenbruch of naar de horizontale Hollandse weides bij Willem Roelofs.
Waarom aarzel ik zo om to the point te komen? Bang voor een vadermoord of tegenzin om me uiteen te zetten met de grote tonale kracht van Jacob Maris? In ieder geval wil ik al schrijvend het genot herinneren van de vele keren dat ik met jong verliefde ogen door het ruime gemeentemuseum van Den Haag zwierf, met name langs de doeken van de meesters van de Haagse school.Het grijs van Jacob Maris begint me nu echter tegen te staan met het groeien van het grijs wat in mijn eigen baard tevoorschijn komt. Ik verlang naar de heldere, in ieder geval uitgesproken kleuren. En toch, als ik daar in het Teylers met mijn ogen heel dicht op zijn doeken kijk dan smullen mijn schildersogen uit de meesterschildershand die nat in nat zijn gebroken kleurtinten in en naast elkaar legt, smeuïg, met nèt genoeg bruin en rood ertussen om het gehele doek niet teveel te laten verkoelen. Zijn rustende en gonzende steden herbergen warmte tegenover de ruimtelijke kou waarin ze hangen, en ook zijn luchten daarboven zijn nauwelijks koud te noemen, zelfs niet helder of fris, maar meer als een deken die de stad bedekt.
'Industriële productie', zo schoot het ineens door mijn hoofd toen ik de schilderijen nog eens door me heen liet gaan. Een merkwaardig moderne montagetechniek waarmee een Oudhollandse stad tot stand wordt gebracht. Zou hij het zelf hebben geweten? Misschien wist Jacob juist door de efficiënte montagetechniek dreigende verstarring of stagnatie in zijn vele schilderen te voorkomen. Omdat met montage de fantasie van de kunstenaar slechts wordt aangesproken in het anders rangschikken van de al voorhanden zijnde details. Zo raakte zijn fantasie niet snel uitgeput want met het monteren van zijn al verzamelde beeldelementen hoefde hij niet elke keer opnieuw in een schilderij dat nieuwe en nog onbekende totaalbeeld tot stand te brengen, wat immers een zwaar beroep doet op de energie van de verbeelding. En Maris was niet de schilder die genoegen nam met letterlijk weergeven van wat hij zag; hij eiste van zichzelf doorwerkte schilderijen. Eigenlijk was het totaalbeeld al bijna voorhanden, maar bestond het in vele variaties. Met de methode van de montage kon Maris lichtjes gevarieerd schilderen van doek naar doek, van stad naar stad, van herinnering naar herinnering, en zo zijn verbeelding levendig houden. Grote aantallen doeken konden zo in het atelier worden bijeengeschilderd op basis van schets en herinneren. Doeken die levende volle lucht suggereerden boven een werkelijke Oudhollandse stad. Met een verfzetting die levendig bleef, vol kleine fantasietjes, maar samengevoegd in een bekend concept. Zijn kopers waren de geëmigreerde Hollanders die in het wijde Amerika in ieder geval de lucht van Holland, de oude grond en de geur van het oude land in hun ogen wilden behouden. Niet in werkelijkheid, maar in hun tot leven gewekte herinnering. Zo werkt een goed schilderij.
Hoe kon de waarheidsgetrouwe Jacob Maris allerlei onderdeeltjes van steden modern in elkaar zetten, zonder gewetenswroeging met zijn oude schildersoog en zijn oude schildersgeweten? Zelfs een mondaine, jonge Breitner uit datzelfde Den Haag voortgekomen wees nog ruim na 1900 het werk van Suze Roberton af omdat men in haar schilderij niet kon zien welke tijd van de dag het was en welk jaargetij. Haar dichte verfwanden moesten deze schilders een gruwel zijn geweest. Het schilderij 'loog' Breitner teveel! De oudere Maris moet daar toch zeker in hebben meegevoeld! Maar ondertussen deed hij met zijn moderne montage waar de 'jonge stadse honden' als Breitner en Isaac Israëls niet eens dachten of durfden te denken. Vergeleken bij hem waren zij veel meer de afbeelders, ook al was hun stad Amsterdam moderner dan het bestorven Den Haag of de weides van Zuid Holland. Ik blijf dit gegeven een fascinerend raadsel vinden bij Jacob Maris, temeer daar hij in zijn schilderijen de montage visueel geheel maskeert. Beter gezegd: hij laat ons niet eens op het idee komen dat hij zijn doeken monteert, met name door ons zijn vanzelfsprekende 'Hollandse stad' voor de ogen te schuiven die daar in het grote land - meestal aan het water - ligt, alwaar ze zich moeiteloos integreert met lucht en water door de vele hakende mastjes, dakpunten, torentjes en kerkdaken en de puntige horizontaal weglopende behuizing van de stad. De stad ademt als een slapend dier en wenst niet wakker te worden gekeken. Weliswaar gemonteerd. Alle uitingen van moderniteit zijn uitgebannen. Die kunnen het geëmigreerde hart niet storen. Een rustende, dragende melancholie geeft een bed aan de Hollandse ziel om zich te herinneren.
Een geheel ander soort schilderij van Jacob Maris dat al vanaf mijn twintigste mijn hart heeft gestolen, is de sla-tuintjes aan de rand van Den Haag, een relatief vroeg werk. Ik heb zelf daar aan de zuidkant van de stad gewoond en liep vijftig jaar geleden met mijn vader vaak richting Wateringen of Monster. In dit schilderij Van Jacob is het dualisme van de stadsrand zo goed voelbaar. De weidsheid van het land is nog te zien, maar de structuur van de grond wordt al bepaald door de moestuintjes om de hongerlonen aan te vullen. De adem van de stad als kapitalistische woonopeenhoping is al voelbaar. In het kleine hoge doekje is de verf niet dik en vloeiend neergelegd, maar de verfstreken zijn er direct en stug opgezet! De ruimte, zelfs in de grond, blijft open en transparant. Er is energie. En de grond is er om de kringloop van lente en herfst te belichamen, daar aan de rand van de stad die al voelbaar wordt in haar moderne leven. Er is adem in de lucht, nu nog niet gesmoord door de volle kunstige verfluchten van later. Hier geeft de grond haar producten; het leven hangt ervan af. Hier is zij niet de rustplaats voor een fossiele imaginaire stad, waar de herinnering het doek moet voeden om opnieuw tot leven te komen; de prijs is haar melancholie. Des te dringender is voor mij de vraag wat het is dat Jacob Maris zichzelf heeft kunnen permitteren om dwars tegen al het oude en slapende in een moderne techniek als de montage toe te passen. Zou het kunnen dat een vrije fantasie zich vast in een mensenhoofd gaat nestelen door de voortdurende herhaling in een geruststellende variatie? Waardoor de fantasie van het beeld zèlf werkelijkheid gaat worden? Een oude werkelijkheid in dit geval, die het bewustzijn van een nieuwe, vreemde techniek wegdringt? Kan het zijn dat de montage Jacob Maris niet eens zelf is opgevallen, omdat hij zo geleidelijk aan is ontstaan in zijn schilderen? En bovendien gemaskeerd werd door het eigen virtuoze tonale kleurgebruik, waar mijn kunstkompaan zo verrukt van is en ook ik intens van geniet?
Fons Heijnsbroek Voor citaten over het impressionisme klik hier |