Portretten van ruimte


Fons Heijnsbroek

Kort geleden zag ik in galerie Grael aan de Prinsengracht te Amsterdam een serie recent geschilderde tekeningen, een reeks portretten van Nicola Rozemeijer die me erg troffen. De groot getekende portretten hingen in goed gezelschap van schilderijen van de jonge kunstenares Dorieke en van grote pasteltekeningen, gemaakt door Ellen Grael. Goed gezelschap was dit, omdat het werk van de drie kunstenaressen veel onderlinge verwevenheid liet zien die niet toevallig was; in alle werken lag veel nadruk op de uitdrukking van de polsen en de stand van de handen, en sowieso op de gehele lichamelijkheid van het menselijke lichaam. Er was in al het getoonde werk bovendien veel kracht aanwezig in de lijnvoeringen, met allerlei variaties en doseringen van stevigheid. De werken vormden zo met elkaar een sterke inhoudelijke tentoonstelling. Ik ga hier vooral in op de reeks portretten van Nicola Rozemeijer.

Er zijn veel dingen in ons dagelijks leven die je zonder meer uit elkaar kan halen, een stuk mechanica, een bouwsel van lego, een elektrische boor. Die dingen bezitten voor ons emotioneel gezien een neutraliteit, behalve natuurlijk als het zo’n mechanische, edoch ontroerende robot is uit de kinderfilm Robots. Bij planten en bloemen ligt het al anders. Snijd je zomaar een roos stuk, alleen om te kijken wat erin zit? Iets houd je tegen. Herakleitos merkte 2500 jaar geleden al op dat groei per definitie onzichtbaar is. Als we de groei toch willen zien en naar de wortels gaan graven, zal de plant sterven. Desondanks sneden vijfhonderd jaar geleden de eerste messen nieuwsgierig in een van het galgenveld geroofd mensenlijf. De lever werd gezocht en het hart als een pomp onderkend, het gehele lichaam als een machine. Een heilige grens werd met dit snijden overschreden en zeer waarschijnlijk ook een mythische grens die door de religie lange tijd streng was bewaakt. Studenten biologie en medicijnen snijden nu dagelijks dieren in stukken, wellicht om dit beter van binnen te leren kennen, maar ook om hun bewustzijn te verdoven om niet het overschrijden van de heilige wet dagelijks te hoeven ervaren. Het knutselen met genen ligt nog een stap verder, maar klopt onmiskenbaar aan dezelfde deur. Onlangs las ik dat er groene, fosforescerende varkens waren gekloond.

Wat vind je eigenlijk als je een levend wezen opensnijdt? Is er iets van een ziel te vinden, een waarom van het leven, of een bron? Is er het geheim te vinden van de ongelofelijk sterke integrerende kracht van het lichaam? In de reeks geschilderde tekeningen die ik van Nicola Rozemeijer zag worden mensen visueel ontleed; ze zijn door de schilderes als het ware schilderkunstig in lagen gescand, onwrikbaar in onderdelen uiteengelegd die mogelijk bruikbaar voor haar zijn. De ogen van de portrettist zijn onverbiddelijk en oppermachtig, ze analyseren en selecteren. Bewust kiest ze haar gereedschap uit de kist vol met verzamelde onderdelen en attributen. Maar de sfeer van de kleurstellingen die in de portretten zijn gehanteerd is wel opvallend terughoudend neergezet, bijna sereen; er staan veel lichte kleurvlakken, sterk gemengd met wit. Het papier zelf doet daarin mee, door ook met haar wit aanwezig te zijn; alle kleuren staan er, maar transparant, zodat het lichte papier niet wordt weggedekt. Er lopen veel fragiele lijnen over het papier, die soms de vlakken begrenzen, maar op een andere plek slechts een dun vallend, kaal takje verbeelden, of het losse hangen van een lok haren. Zo ontstaat er een bijzondere mengverhouding in deze portretten, een mix van onwrikbare resolute analyse en reconstructie, gepaard aan een ingehouden atmosfeer die een lichte toon aanbiedt waarin een mens wordt gepresenteerd in zacht mededogen. Er is bovendien een voortdurende levenskracht aanwezig die tegen de analytische werkwijze ingaat. Bijna in elk portret is er duidelijke aanwezigheid en suggestie van groei, van bloemen, doorbloede lippen, levendige ogen die echt kijken. We kijken in deze portretten niet naar de kwijnende of bedachte lichamen van magisch realisten of surrealisten. We kijken ook beslist niet naar een naturalistisch portret, hoe menselijk de geportretteerde vrouwen ook ogen. Ondanks de aanwezigheid van snijdende schildersanalyse en ondanks een ingetogen, bijna fragiele toon hangt er levende en aanwezige warmte in deze serie portretten van Nicola Rozemeijer. En dat doet op zijn zachtst gezegd onwennig aan, maar oogt heel fris.

Analyseren is snijden, in stukken delen, om inzicht en overzicht te krijgen. Dat deed de psychoanalyse van Freud, die de westerse mens genadeloos open sneed om onze psychische dynamiek te vinden en te benoemen in een onwrikbaar taalsysteem: de freudiaanse theorie. Maar dat kan niet slechts in taal. Dat kan ook heel goed in beeld, zoals de in elkaar gezette en daardoor zo overtuigende landschappen van Ruysdael ons al laten zien. Maar zeker in onze moderne tijd, waarin we door de digitale bewerking er zo sterk gewend aan zijn geraakt dat beelden samengesteld worden, gemanipuleerd, in elkaar geknutseld, is dit alles niet langer te ontkennen. Veel mensen doen het zelf actief bij het bewerken van hun foto’s. Als moderne, digitaal aangepaste beschouwer kunnen we psychisch de demontage van het beeld gemakkelijk volgen, misschien omdat we het zelfs wel ervaren als virtueel? Het is werkelijk een onderdeel van onze psyche aan het worden en een interpretatiewijze van de aangeboden werkelijkheid door tv of film. En dan ontstaat er eenzelfde neutraliteit als met de games of met het uit elkaar schroeven van een stuk technisch speelgoed: we kunnen ze demonteren en weer in elkaar zetten en er is verder niets aan de hand. Geen wet wordt overtreden; we worden niet onpasselijk of raken niet verschrikt. Maar als we dit met menselijke mensfiguren doen: soldaten, menselijke cyborgs, of sensuele vechtmachines met geile heupen, weggelopen uit het filmdoek? Of als we een overstekend oudje digitaal van de weg afracen? Dan ontstaan er vragen…

Met groot gemak demonteert Nicola Rozemeyer haar menselijke figuren. Het is bijna fysiek pijnlijk om als kijker haar portretten aan te zien, temeer daar ze zo menselijk zijn. In mijn ogen is dit een noodzakelijke pijn. We voelen en zien de demontage van menselijk leven met een gezicht, met roze handen, kijkende of rustende ogen. en dan, na korte tijd, gebeurt er iets bijzonders, wanneer we de bereidheid opbrengen langer te blijven kijken in deze portretten. Want voordat we het ons goed realiseren is er plotseling vanuit de herkenbare demontage opnieuw een mens ontstaan, vanuit de gescande en weer samengevoegde stukken menselijke onderdelen. Er is zelfs een zeer overtuigende menselijke mens ontstaan. We kijken ernaar en ervaren nu zonder meer de menselijke aanwezigheid. Ons kijken in haar geschilderde tekeningen krijgt zo twee geheel verschillende en tegengestelde momenten die echter in en door de tekening rechtstreeks met elkaar verbonden zijn: ze liggen als het ware over elkaar heen en vallen, smelten samen. Eerst het zien van de afzonderlijke gekozen onderdelen van het beeld, die liefst nog in verschillende lagen van de schildering zijn weggestopt, om ze op afstand van elkaar te houden; dan voelen we de pijn. Maar daaruit ontstaat op wonderlijke wijze een nieuwe synthese; we kijken naar een vanzelfsprekend beeld van een nieuwe mens. We voelen bijna haar adem, we zien het kloppen van het bloed. Deze metamorfose doet denken aan de sjamanendood, een noodzakelijke (en ‘virtuele’) dood van een kandidaat-sjamaan om opnieuw te kunnen leven, maar nu met de taak om met de bovenaardse krachten te kunnen communiceren. Noodzakelijke wedergeboorte.

…er vallen, nee dwarrelen takjes naar beneden, bijna achteloos gevallen uit haar jonge hand . Ze kijkt naar beneden, mee met de val van de takjes. Ik denk aan vingers, speelse vingers. Ik denk aan aders; de takjes liggen over de onderarm, bij de pols geschilderd, aders als tunnels van kloppend bloed, leven wat stroomt door haar jonge lichaam. Ik denk voortdurend aan jonge lente, aan dat punt waar de lente zich aarzelend uit de late winter trekt maar er nog iets van meeneemt, van de kou. De kou moet nog gaan wijken; de takken staan nog kaal, de warme zon moet eerst komen…. De takjes zijn getekend in dezelfde lijnvorm waarin de omtrek van de jonge vrouw is getekend. Ze verheft zich net uit de achtergrond omhoog naar mijn kijkende ogen; zonder de dunne omtreklijn was dit niet gebeurd. Alles bevindt zich zo op het scherp van de snede, alles moet nog een pas verder zetten om in het verhaal te komen. Er wordt gewacht, er wordt gesluimerd.

Er hangt een sfeer van doorschijnendheid in de menselijke gestaltes van de portretten. Bewust is deze opgebouwd; de verschillende lagen in de geschilderde tekeningen worden versterkt door de lichaamsdelen die de kunstenares heeft uitgekozen en weer heeft samengevoegd. De losse onderdelen van het lichaam verschijnen vaak op verschillende dieptes van het schilderij, op een plaats die hen weloverwogen maar intuïtief is toegekend. Ze trekt daarmee mijn kijken scheef, mijn normale ervaren van het menselijke lichaam. Ze verwringt mijn kijken en duwt er tegenaan. Ze houdt wellicht op voordat de samenhang van het lichaam scheurt, voordat de integratie daarvan het begeeft? Het is dus werkelijk een experiment. Het is de vraag of er met het opnieuw samenvoegen een nieuwe logica kan of wil ontstaan. Dat risico neemt ze. Soms kan in een portret de beoogde synthese inderdaad niet meer tot stand komen, of is de synthese te afgedwongen om vanzelfsprekend te kunnen worden. Want de kunstenares moet door het vele gebruik van de zachte kleurpartijen af en toe wel zeer stevige omtreklijnen neerzetten, om de figuur uit de smeltende achtergrond te kunnen bevrijden. Dat is lastig op te vangen. Een gezicht krijgt soms een zware helmlijn om zelfstandigheid te verkrijgen, om zich te kunnen onderscheiden van de ruimte boven het hoofd. Maar er zijn ook portretten waarin alles samenvalt; waar een ontroerende, volstrekt nieuwe gedaante ons aankijkt, een gedaante met een enorme doorschijnendheid, alsof we dwars door haar heen kijken en ook mógen kijken. We gaan ons bijna generen; het lijkt alsof de onderscheiding van binnen en buiten het lichaam geheel is weggevallen. Het lijkt alsof we naar moderne Deidres kijken en andere Keltische halfgodinnen, binnen het transparante bestaan van Avalon; maar eigentijds, met heldere keuzes en dus volstrekt volgbaar voor ons. Geen nevel of vaak gehanteerde mist om vooral maar spiritualiteit te suggereren als een aantrekkelijke saus erbovenop. Iedereen kan in deze portretten zien hoe het beeld tot stand is gekomen. We kunnen de genomen keuzes zien in het maakproces; die beeldcommunicatie is er volstrekt duidelijk en toegankelijk. Het beeld is opgebouwd uit weloverwogen samengevoegde beeldelementen. De aangeboden gelaagdheid is door keuzes ontstaan en leidt tot een uitgesproken en modern opgebouwde transparantie.

…mijn adem stokt als ik kijk, en ik val nog een niveau verder de tekening in .Ik verander ter plekke omdat ik de dingen niet langer uit elkaar kan houden. Ik hoef daar ook geen moeite voor te doen, omdat ik alles vertrouwen kan. Er drijven luchtbellen naar boven, ik bevind me in een aquarium van licht. Geen vissen maar mensen. Geen glas van het aquarium is te zien. Waar ben ik eigenlijk?Waar is ik eigenlijk? Er zijn geen grenzen meer, slechts transparanties die bewegen omdat het water in laagjes golft en het licht er doorheen spoelt. De scheiding is weg, tussen haar en mij…..

Nicola Rozemeijer staat in haar keuzes en opties niet op zich zelf. Er is een toenemende transparantie te zien in de recente kunst van zowel figuratieve als abstracte kunstenaars. Maar lang niet altijd is men zichzelf daarvan bewust. Niet iedereen kiest duidelijk de schilderkunstige middelen daartoe. Het betreft een transparantie die in de lucht hangt, die zich in veel meer levensgebieden uit; in straatmeubilair - zoals de glazen bushokjes en telefooncellen - is het merkbaar en in de zichtbare constructies van grote evenementenhallen en stadions. De Zuidkoreaanse moderne film laat het duidelijk zien in bijvoorbeeld de beeldtaal van films als Bin Jip of Bad Boy. Ook de nieuwe architectuur in Seoel of Sjanghai belichaamt het. Het is bijna onvermijdelijk en noodzakelijk dat de moderne transparantie ook de schilderkunst binnen sluipt, wil zij aansluiten bij moderne levenservaringen en deze kunnen oproepen.

De vraag is echter of een kunstenaar bewust hiervoor kiest, omdat hij of zij een verhaal of ding te vertellen heeft waarin deze transparantie een onmisbare rol speelt. Omdat zonder deze transparantie het verhaal zou instorten of niet verteld kan worden worden. Daarom moet het zo wanhopig bewust worden toegepast, en moeten alle risico’s voor lief worden genomen. Ik vermoed dat kunstenaars hier nauwelijks iets over te beslissen hebben. Een impuls, een inspiratie dient zich aan; take it or leave it! Het valt gewoon toe, vanuit de grote ruimte. Pas na een bewuste beslissing hierover kan er pas doelgericht gehandeld worden en kan alle beschikbare schilderkundige ervaring en deskundigheid worden ingezet om zover mogelijk te komen.

Dat ontroert me dan ook bij het zien van de recente portretten van Nicola Rozemeijer. Ik zie in de recente kleurtekeningen een radicale omslag in atmosfeer en beeldtaal. En ik zie tegelijkertijd hoe allerlei oude beeldelementen worden hergebruikt of een andere plaats vinden binnen deze portretten. Oud en nieuw komen samen; niet zomaar of willekeurig, maar noodzakelijk. Bijvoorbeeld de geplaatste balletjes in veel portretten, die door hun subtiele dosering in kleurkracht en scherpte in staat zijn om andere onderdelen van het werk, die op gespannen voet staan met elkaar, te verzoenen of door één deur te laten gaan. Zo verbinden deze balletjes - ze zijn vaak onderdeel in haar eerdere abstracte stilleven – in de portretten vaak de achtergrond met het getoonde lichaam, door in de blouse van de jonge vrouw nauwelijks merkbaar maar toch, terug te komen. Niet bij elk portret lukt dit, dat geef ik onmiddellijk toe. Maar dan zeg ik weer, dit risico moet gelopen worden. Als je het als kunstenaar niet loopt, mis je de boot. Er valt in de moderne kunst nu eenmaal veel te verliezen.

..….ik zie een aantal portretten die meer laten zien dan de individuele persoon. Niet zozeer de persoonlijke geheimen, de verborgen individuele spelonken, maar veeleer een innerlijk dat groter en vooral wijder is dan een persoon, een enkel individu. We kijken in het innerlijk dat verweven is met de andere innerlijken van de mensen die bestaan buiten het schilderij. Het is de menselijke verwevenheid zelf die we zien, het menselijke stof, het weefsel waaruit elke mens bestaat en ontstaat. Het is het niet-individuele weefsel, zoals iedereen angst kent, iedereen pijn heeft bij een stoot op de mond, iedereen ontroerd raakt van een jong kind, en dat wordt hier samengevat in een portret om zich te kunnen tonen aan mij…..

Om meer werk te zien van Nicola Rozemeijer: klik hier




stuur een e-mail
.