Over synthese in de kunstDoor Ingrid van den Bergh De idee, dat er tussen de verschillende kunstdisciplines parallellen bestaan, gaat terug op Aristoteles’ concept van de “sensus communis”. Aristoteles, die bekendstaat als een filosoof met een goed ontwikkeld vermogen tot logisch denken, beweerde dat de verschillende zintuigen worden gestuurd door één hoger, centraal mechanisme. Uit de historisch gegroeide indeling van de diverse kunstuitingen in stijlperiodes is af te leiden dat die disciplines, gedurende eenzelfde periode, enigszins vergelijkbare kenmerken vertoonden. Daardoor was uitwisseling en beïnvloeding van bepaalde elementen mogelijk en een logisch gevolg.Als je je met dit onderwerp bezighoudt krijg je, bewust of onbewust, te maken met deze parallellen tussen de verschillende kunstdisciplines; analogieën op het gebied van kleur, vorm, compositie, ordening, ritme en klank, die op hun beurt een wisselwerking tussen de kunstwerken op gang brengen. De klank in een muziekstuk kan een synthese aangaan met de kleuren in een schilderij; we componeren een gedicht op het ritme van muziek, of naar de vormen in een schilderij. Impressionistische Dit alles doet mij denken aan een artikel van de Amsterdamse In een gedicht bepalen woordkeus, ritme, cadans en rijm (beginrijm, eindrijm, tussenrijm) de klank. Behalve luisteren is ook kijken van belang om het gedicht te kunnen bevatten. De woorden zien in hun verschijningsvorm; de zinnen die in lengte verschillen; de wijze waarop strofen zijn onderverdeeld (compositie, vorm). Deze elementen laten de lezer de lading proeven van het gedicht, ze doen hem de taal ervan beter verstaan. Ritme en metrum (klank) in een gedicht zijn te vergelijken met de cadans van een muziekstuk. De Oostenrijkse dirigent Nikolaus Harnoncourt maakte onlangs, met zijn Concentus Musicus Wien, een dubbel-cd met cd-rom. Daarop zijn de vroege symfonieën van Mozart te beluisteren en worden fragmenten voorgelezen uit de brieven van de jonge musicus en van diens vader en zusje. Daarin is goed te horen hoezeer de melodie van de taal verwant lijkt aan muziek.Schilderkunst ontleent, evenals poëzie en muziek, haar identiteit aan vorm en compositie, aan kleur en klank. In de muziek is het klassieke concerto grosso gebonden aan het driedelige patroon snel-langzaam-snel (vorm). Er zijn kunstenaars die proberen elementen als tijd en beweging, waarvan de werking voorbehouden lijkt aan disciplines als muziek en dans, te vatten in hun schilderkunst. We kennen terminologieën die in meerdere kunstdisciplines worden gehanteerd. Bijvoorbeeld in de muziek het, uit Frankrijk afkomstige, begrip ‘musique concrète’, een kunstvorm die, door Pierre Schaeffer, vanaf 1948 tot bloei werd gebracht. Schaeffer maakte opnames van allerlei geluiden zoals straatlawaai, gelach en geschreeuw, om deze later te bewerken. In de beeldende kunst sprak Theo van Doesburg ca 1930 over ‘concrete kunst’: “Zo plaatst abstracte kunst naast de reële wereld een nieuwe, die uiterlijk niets met de realiteit te maken heeft. […] Zo wordt naast de natuurwereld een nieuwe ‘kunstwereld’ geplaatst, een concrete wereld. Daarom is het mijn persoonlijke voorkeur om de zogenaamde abstracte kunst ‘concrete kunst’ te noemen.” Kandinsky nam deze term over in zijn latere werk uit de periode in Parijs. Fons Heijnsbroek noemt kunst concreet die “zoveel mogelijk uit zichzelf ontstaat.”Nóg een term die ooit werd toegepast in verband met zowel schilderkunst als muziek: Het werk van vroege abstract werkende schilders, bijvoorbeeld de kunstenaars van Der Blaue Reiter, werd door de Nazi’s als “entartet” (ontaard) bestempeld. Dezelfde term werd gebruikt voor muziekwerken, zoals die van de Nederlandse componist Leo Smit. Kunstenaars als Kandinsky, Marc, Macke, Klee, Gabriele Münter en de componist Arnold Schönberg (allen behorend tot Der Blaue Reiter) hadden, aan het begin van de vorige eeuw, als doelstelling: “synthese van alle kunsten” die voort moest komen uit muziek, beeldende kunst en letterkunde. Door meerdere disciplines met elkaar te combineren en deze als het ware in dienst van elkaar te laten functioneren, ontstonden de zogenaamde totaalkunstwerken, die we al tegenkomen in het werk van Richard Wagner. Hij wees deze kunstvorm aan als ideaal van de kunst. In het ‘Gesamtkunstwerk’ waren de visuele en auditieve elementen en andere onderdelen, waarbij te denken valt aan beweging (dans), licht en decor (beeldende kunst) op elkaar afgestemd in één verschijningsvorm. Volgens de kunstenaars van Der Blaue Reiter kunnen de verschillende kunstvormen “van elkaar leren hoe zij met hun middelen om moeten gaan, om dan die middelen gelijk te behandelen. Op deze wijze wordt synthese mogelijk.” |