Google +1

het laatste oorlogs-jaar van Ome Jo

herinnering van de Amsterdamse schilder Paul Werner


In de hongerwinter van 1944 fietsten mijn broers Ko en Hans en ik richting Leusden en zagen links van de weg iemand lopend aankomen. Hij had een strohoed op, een zwarte koetsiersjas aan en een wandelstok over de schouder met aan het uiteinde een rode zakdoek met inhoud. 'Het lijkt wel ome Jo' zei Ko. Ome Jo was de oudste broer van mijn moeder, het zogenaamde zwarte schaap van de familie. In feite de directeur van de firma Mennens en co. Te Rotterdam, shiphandlers, in zijn hart kunstenaar, bohémien zoals er niet veel meer zijn. Bij ons thuis hing in de slaapkamer van mijn ouders naast het portret van opa een tekening uit Giethoorn van zijn hand. In de kast.

Toen de man dichterbij was gekomen herkenden wij hem en het was inderdaad onze legendarische oom. Vlakbij café Hazeleger stopte hij en zei: 'Dag jongens, ik kom uit Rotterdam wandelen, op weg naar Zeist en zeg maar tegen je moeder, dat ze het bad maar vast moet aanzetten. Ik kom eraan.' Daarna stapte hij het café binnen om een opwarmertje te gaan halen, en wij draaiden onze fietsen om, terug naar huis om het nieuws te vertellen. Mijn vader was duidelijk minder ingenomen met het naderende bezoek. Ome Jo stond bekend als een stevige drinker, stond op de zwarte lijst en moest af en toe de wijk nemen naar BelgiŽ, waar hij, naar hij beweerde, op bezoek ging bij Felix Timmermans en Permeke. Hij had zo in een stuk van Beckett kunnen spelen als een van de drie zwervers in 'Wachten op Godot'. Ook deed hij ons denken aan het verhaal van Belcampo: 'Mijn Oom Ricardo'.

Na een paar uur kwam hij inderdaad opdagen en legde uit waarom hij in de herfst lopende van Rotterdam naar Zeist onderweg was. Hij wilde tante Fien, een zuster van mijn moeder, fl. 1000, - brengen om eten te kopen. Haar man was in de mobilisatie als boordschutter opgeroepen naar vliegveld Soesterberg, maar daar aangekomen stond alles in brand, gebombardeerd door de Duitse vliegtuigen op 10 mei. Hij kon nog net in de sloot duiken. Tussen het riet keken enkele officieren hem aan. Er hadden maar enkele vliegtuigen op kunnen stijgen. Daarna had hij Rotterdam nog kunnen bereiken en was hij met één van de laatste boten vertrokken naar Amerika. Wij kwamen een keer op bezoek en zaten in de keuken op sinaasappelkistjes. 'De meubels heb ik geruild voor eten', legde ze lachend uit.

Als de nood het hoogst is etc. Voor de jongens had hij een banknoot (een papieren rijksdaalder) en een pakje Ersatzshag meegenomen. De volgende dag zette hij de voettocht voort.

Na de oorlog ontmoette mijn vader als vertegenwoordiger voor de firma Vermeulen ome Jo in café Moeke Verschuur in het Ginneken bij Breda en leerde daar door hem zijn tweede vrouw kennen, Madeleine Hoppenbrouwers. Mijn moeder was een jaar daarvoor overleden.

Niet lang daarna heeft ome Jo een beroerte gekregen. Tijdens de begrafenis moesten zijn broers de kist op de schouders dragen want de dragers waren niet komen opdagen. 'Ja Jo', was de lijkrede, 'je hebt ons tenslotte weer bij de neus genomen. We moeten je nu verder op handen dragen.' Beter kan ik niet eindigen om hem te herdenken.

redactie: Graag een mail naar de redactie, bij verdere vragen aan Paul Werner of als u belangstelling hebt naar hem te reageren. Die wordt dan fysiek doorgegeven aan Paul Werner.
Wilt u afbeeldingen zien van gouaches en / of litho's van Paul Werner, klik hier