Google +1

Mon ami Forestier (een hommage)

herinneringen van de schilder Paul Werner


(Paul Werner vertelt over zijn vriend Forestier uit Bretagne die als soldaat meevocht in de Slag om Arnhem en daar levend wist te ontsnappen. Forestier woonde daarna in Bretagne waar Paul Werner veel gouaches aan de Bretonse kust schilderde, o.a. zijn vele Côte Sauvage's).

Hoe ik in Bretagne kwam, was een gelukkig toeval.Van een soort pelgrimstocht naar de plekken waar Vincent van Gogh heeft gewerkt en geschilderd, Arles, les Saintes-Maries de la Mer etc. terugkerend naar Holland, stond ik vrij court d'argent op een kruispunt nabij Avignon te liften, maar niet alleen. Tientallen lifters waren er al en na twee dagen tevergeefs duimend, wandelde ik in de richting van een dorpje een zijweg op. Ik ging tegen een plataan zitten en ik had goed gegokt, want na een poosje draaide een grote vrachtwagen beladen met ijzeren buizen het weggetje op en stopte vlak bij mij. Een rond kopje stak door het raam en sprak mij aan: 'Pourquoi vous ne faites pas le signe?' ('Waarom steek je je duim niet op?') Na uitgelegd te hebben waarom ik daar zat zei hij: 'Ik heb panne aan de motor, ik ga een garage zoeken. Ik kom terug en neem je mee. Ik kom uit Marseille en ga naar Brest, Bretagne.' Ik geloofde het maar half dat hij terug zou komen, maar tot mijn vreugde kwam de camion na enkele uren weer terug en liet mij instappen.

De gebruikelijke vragen aan de lifter werden gesteld: wie ben jij, waar ga je naar toe. Ik woonde toen in Amstelveen, in een oud huis aan de Poel en dacht, dat is te onbekend en zei: 'Ik kom eigenlijk uit Arnhem, ben daar geboren', waarop Forestier, een Breton uit Ploëzal, ineens emotioneel riep: 'Hollande, Arnhem, ben ik in de oorlog geweest.' Ik gokte: Market-Garden? De slag om Arnhem? (september '44) Ja, daar was Joseph uit de lucht komen aanzetten met duizenden anderen als parachutist. 'Ken jij het kerkje in Oosterbeek? Op het kerkhof lag ik achter een machinegeweer met Fransen de aftocht te dekken van de Airborn-divisie The Red Devils na het mislukken van de slag. Een of twee Duitse pantser-divisies onder leiding van SS-generaal Bittrich hadden verscholen onder de bomen gestaan op de Veluwe, eerst op de vlucht voor de snelle opmars van de geallieerdentot Nijmegen, na verraad (?) keerden ze terug. Geruchten gaan dat King-Kong, een dubbelspion, op het hoofdkwartier van prins Bernard was geweest, die hem volledig had vertrouwd. Er was ook een Amerikaanse officier gevangen genomen met het complete aanvalsplan bij zich. Een verzetsman, Henri Knap, die de pantsers toch had gezien, had nog de Amerikanen gewaarschuwd dat een aanval bij Arnhem een zelfmoordpoging was.

'Daar gaan we wat op drinken', zei mijn ami Forestier. Hij zette de wagen bij een café de Routiers en vroeg of ik honger had. Nou, dat had ik, na Arles op stokbrood geleefd. Hij vertelde zijn belevenissen en zei: 'maar daarna wil ik daar niet meer over praten.' Hij vervolgde zijn relaas: 'Midden in de nacht hebben wij ons uitgekleed, de wapens weggegooid en zijn naar de Rijn gerend. We zijn erin gesprongen en daarna werd ik wakker in het hospitaal in Nijmegen. Ik ben waarschijnlijk geraakt door kogels van de moffen en aan de overkant eruit gevist. Heureusement, la guerre était finie pour moi. Santé. Wij klonken hierop, dronken de fles op en zijn in de cabine gaan slapen, waar twee bedden boven elkaar waren. Midden in de nacht opgestaan en op weg bij Lyon links af, over het Massif-Central richting Bretagne. De camions reden als regel 's nachts na drie uur tot in de morgen.

Onderweg werden nog meer verhalen verteld: hij was bij de invasie als stoottroeper aan land gegaan, met een anker, dat omhoog geschoten kon worden tegen de falaise-kust in Normandië en als alpinist omhoog geklommen, achter de bunkers van de Duitsers gekropen en handgranaten naar binnen gegooid. Hij vertelde dat als een kwajongen bijna. Ik was versteld van zoveel openheid, uiteindelijk was ik toch een vreemdeling; later ontdekte ik in Bretagne, dat de Bretonnen wel gesloten zijn, maar eenmaal als ze je leren kennen, alle reserve laten varen. Hij had zelfs voor de oorlog in Rotterdam als matroos bij de Holland-Amerikalijn gevaren. Ondertussen waren we al aardig geklommen en het was hartstikke donker: geen lantaarn, niks, en opeens steeg een geiser voor onze ogen uit de carburator. Wat bleek nu het geval: de Westinghouse-diesel had een waterkoeling van buizen, die gescheurd waren en het water liep overal eruit. 'De balk', schreeuwdeForestier mij toe. Onmiddellijk begreep ik, dat die achter de wielen gelegd moest worden, we zaten in een beklimming in een bocht. Ik vraag mij achteraf af, of hij het alleen gered zou hebben. Hij had mij dus niet voor niets meegenomen. Eerder hadden wij de buizen al eens recht moeten leggen, die waren gaan schuiven. Ik zag eruit als een bootwerker. Forestier keek over de rand van het ravijn en zei: 'Ik hoor water klotsen. Als jij nu naar beneden gaat met een emmer dan kunnen we na een reparatie weer verder.'

Zo gezegd, zo gedaan, op een gegeven moment hing ik aan een dennenboompje tussen hemel en aarde met een zaklantaarn in de mond. Nu zullen sommige mensen wel weer lachen, maar ik geloof dat ik een soort beschermengel heb (evenals Forestier), ik kwam heelhuids boven. Met kauwgom en hansaplast uit mijn EHBO-doosje plakten we de gaten dicht en gingen weer verder. Toen het licht begon te worden naderden we de vlakte van de Loire en zette hij de camion aan de kant. De hele motor werd bijna gesloopt en mij aangegeven, terwijl ik technisch een onbenul ben. Toen alles weer op zijn plaats zat, startte de motor niet. Ik ga de monteur uit Parijs bellen, zei Forestier. Na een poos zei hij: 'je kunt met mij mee naar Bretagne om te schilderen, je zult zien, hoe mooi het is.' 'Helaas moet ik weer aan de slag bij de Volkskrant', zei ik, 'en heb maar weinig geld over.' Hij stak zijn hand op en een auto stopte, richting Parijs. 'Bon voyage', zei Forestier en gaf mij zijn visitekaartje. Hij bleek de patron zelf te zijn van een bedrijf, agent in mineraalwater, Vitel, Vichy etc.

Het volgende jaar reed ik in een week met een Solex via Normandië naar Bretagne op weg naar de boerderij van de familie Forestier. In Normandië bezocht ik de invasiestranden. Via Mont St.Michel reed ik Bretagne binnen. Bij Forestier hielp ik het mineraalwater in kisten te doen, op te laden en mee rond te brengen in Ploëzal. Hier begon een lange vriendschap vanaf '59 tot en met '83.

Forestier bracht mij met zijn deux-chevaux naar de rotskust, de zogenaamde Côte Sauvage, het oranje graniet, dat contrasteert met de groene zee. Even verder was de groene kust en het gele graniet. Voor het eerst zag ik een soort oerlandschap door reuzen gemaakt. Forestier haalde me dan 's avonds weer op. Hij had een onfeilbaar gevoel voor de plekken die voor een schilder belangrijk zijn. Laat in de avond zaten wij aan tafel met zijn vrouw, Claudie zijn dochter, de chauffeur Yves en de kokkin Andrée, soms met de tuinman, voor het souper. Langs het huis liep een smalle weg van Pontrieux naar Paimpol, een vissers- en jachthaven. Vlakbij was een Normandisch kasteel, la Roche Jagu, hoog uitziend over de Trieux, een soort fjord, rondom was een groot bos. Het fundament was gelegd voor een levenslange inspiratiebron. Ik kreeg zijn overlijdensbericht uit St. Brieuc van zijn dochter; zijn vrouw was al overleden.

redactie: Graag een mail naar de redactie, bij verdere vragen aan Paul Werner of als u belangstelling hebt naar hem te reageren. Die wordt dan fysiek doorgegeven aan Paul Werner.
Wilt u afbeeldingen zien van gouaches en / of litho's van Paul Werner, klik hier


klik hier