Op bezoek bij Ferdinand Erfmann
Paul Werner
In de Poort van Cleeve hield de schildersvereniging Sint Lucas in de
zestiger-jaren een legendarische ledenvergadering, waarbij ger Langeweg, Ferdinand Erfmann, Steven Kwint en ik o.a. aanwezig waren.
Sedert kort tijd was ik geballoteerd bij de vereniging in 1963.
Bij de notulen werd door Theo Swagemaker, onze voorzitter, een
voorstel in stemming gebracht om de memoires van de vereniging vanaf
de oprichting te boek te stellen. Bekende schilders waren lid geweest
o.a. Mondriaan, Jan Sluyters e.a. Plotseling stormde Erfmann naar
voren naar de bestuurstafel en riep: 'Hier voel ik niets voor, dan
moet je ook de oorlogsjaren vermelden van 1940 tot 1945 en als die
beerput opengaat kunnen we de boel wel sluiten'.
De leden van het bestuur, die getekend hadden voor de Kultuurkamer
kregen een rode kop en de leden begonnen opgewonden te roepen,
aangezien niet iedereen van het verleden op de hoogte was. Ger
Langeweg, wiens gehoorapparaat wel eens uitviel, liep naar voren en
zei: 'Wat zei je daar, Ferdinand?', waarop de aangesprokene nog eens
luidkeels herhaalde: 'Als die beerput open gaat etc.', hetgeen een
hysterisch gelach veroorzaakte.
Het voorstel werd wijselijk ingetrokken. Op dit moment werden ineens
verfrissingen door obers op bladen binnengedragen. Het is er nooit
meer van gekomen. In verschillende publicaties is wel duidelijk
geworden, dat het merendeel der Nederlandse kunstenaars weinig verzet
heeft geboden tegen de Kultuurkamer. Een man als de graficus Escher
en beeldhouwer Mari Andriessen zijn de gunstige uitzonderingen.
Diegenen die werkelijk verzet hebben gepleegd zijn er niet meer.
Ferdinand Erfmann is in 1907 geboren te Rotterdam en overleden in
1968 op Sardinië. Zijn ouders waren allebei bij het toneel. Hijzelf
was een kleurrijk figuur. Hij nodigde Ria Rettich en mij uit voor een
bezoek aan zijn atelier en woning in de Van de Veldestraat. Boven aan
de trap werden we welkom geheten en passeerden de keuken, waar een
opeenstapeling van groenten, fruit en kattenbakken was. Overal liepen
katten rond. Het geheel deed denken aan zeventiende-eeuwse stillevens
van Heda en interieurs van Jan Steen. De gang was gedecoreerd met
ingelijste foto's van atleten, zoals in het circus te zien zijn,
menselijke piramides, waarop onze gastheer in strak broekje duidelijk
aanwezig was. Ferdinand E. als menselijke kogel met een helm op. Ria
barstte los in een slappe lach, waarop ik zei: 'Dadelijk zet hij er
ons eruit!' 'Kom maar binnen', riep Ferdinand en nodigde ons uit voor
de thee. De kamer liep gedeeltelijk over in het atelier en overal
hingen de schilderijen met acrobaten, matrozen in bordelen, hoeren
als manwijven, een sfeer oproepend à la Génet.
Aan de hand van de foto's en schilderijen vertelde hij over zijn
leven als acrobaat in het circus. Het komt nu wat vreemd voor, dat in
die tijd, de jaren zestig, deze levensvisie en kunst niet begrepen
werd. Men lachte om de naïeve voorstellingen in starre stijl. Maar
'the times they are a-changin' en op het ogenblik wordt zijn werk
duur verkocht en gewaardeerd. In het Gemeentemuseum in Arnhem hangt
naast werk van Charley Toorop een Erfmann.
Ons bezoek aan hem was een gedenkwaardige middag bij een bijzonder
sympathieke collega.
|