100 jaar Abstracte kunst in citaten van de kunstenaars
selectie, vertaling en redactie Fons Heijnsbroek
Handleiding voor dit citatenbestand
Citaten en uitspraken van kunstenaars uit 90 jaar abstracte kunst staan hier per kunstenaar gegroepeerd: een kunstgeschiedenis van binnenuit zogezegd, want de citaten geven een blik in de keuken van de abstracte kunst.
De kunstenaars staan alfabetisch op achternaam gerangschikt; als je op een kunstenaar klikt wordt meteen duidelijk hoeveel citaten er zijn. De teksten zijn volgens ons goed bruikbaar in het CKV en bij kunstgeschiedenis van het hovo.
Onder aan de citatenpagina staan links naar andere teksten of citaten die verband houden met de kunstenaar of de stroming waarbinnen hij bekend is; ze zijn bruikbaar voor uitbreiding en verdieping. Deze links zijn zorvuldig uitgekozen en hebben werkelijk met de betreffende kunstenaar te maken.
Voor suggesties en correcties of voor opmerkingen over de bruikbaarheid van citaten en links houd ik me sterk aanbevolen. Mail ze alsjeblieft.
Waarom dit citatenbestand is gemaakt..
Fons Heijnsbroek
De abstracte kunst zie ik als het achterland van mijn eigen schilderen als kunstenaar. Dit is voor mij niet altijd een vanzelfsprekende zaak geweest, omdat mijn eerste dus grootste schilderliefde bij de (klassieke) landschapschilders lag. Namen als Corot, Daubigny, Bonnington of Constable, Gerard Bilders of Philip Coninc, Hobbema en Seeghers laten mijn hart nog steeds sneller kloppen. En die rij is nog lang niet compleet.
De vanzelfsprekendheid waarmee ik me al jong met de landschapschilderkunst verbond heb ik nooit gekend naar het abstracte schilderen. In mijn ogen is de ontwikkeling van de abstracte kunst in haar wezen vaak een geforceerde onderneming geweest die haar voortbrengselen ook zodanig heeft beïnvloed. Maar aan de andere kant, het is niet niks geweest aan het begin van de 20 ste eeuw, om in een bestek van vijftien jaar een abstracte beeldtaal uit de grond te stampen vanuit het volstrekte niets. Ik gebruik expres deze woorden omdat ze voor mij bijna letterlijk de mentale krachtsinspanning en haar kunstproductie beschrijven die vanaf 1910 werd ondernomen door veel uiteenlopende kunstenaars in Europa, Rusland, Zuid Duitsland, Nederland, Parijs, België, en noem maar op. Iedere Europese hoofdstad betoont in haar musea bijna dwangmatig haar eer aann haar nationale abstracte avantgarde.
Om uit het Niets met mensenhanden iets weg te (mogen) halen - wat ook iets zegt over het Niets -, daar heeft men voor betaald. Wij mensen verdragen het Niets erg lastig en zijn daarom gedwongen snel een brug te bouwen in eigen mensentaal. We houden niet van de open vlakte, we blijven in de buurt van de bosrand. In het gezicht van het niets durven we slechts even te kijken. Veel kunstenaars hebben hun roekeloze sprong slechts weten te overleven door zo snel mogelijk een hecht doortimmerde nieuwe beeldtaal te bouwen, begeleid en onderschraagd door dogma, religieuze opties en theorie. Anderen schuifelden voetje voor voetje op naar het Niets, met veel tussentijds verslag, vergelijkbaar met hoe Bernardus van Clairveaux over zijn toevallende inspiratie vanuit God sprak. Maar toch, de geboorte van de abstracte beeldtaal is overwegend radicaal verlopen met vele beginselen en geschriften, en heeft zo binnen een tijdsbestek van twintig jaar een hoogst solide karakter gevormd die haar eigen voeding en bron bijna ontoegankelijk maakte.
Langzaam maar zeker ben ik ervan overtuigd geraakt dat de abstracte kunst haar levenspotentieel slechts heeft kunnen behouden door het elan en de opwoelende kracht van een tweede abstracte golf. Kort voor W.O. 2 begonnen kunstenaars nieuwe bronnen aan te spreken en toe te laten, van waaruit nieuwe abstracte beeldtaal kon ontstaan. Zo werd de surrealistische vinding van het automatische schrift de abstracte kunst binnengetrokken, waarmee het bruisende 'onbewuste' ook hier nieuwe beeldtaal kon gaan ontvouwen. Andere kunstenaars daarentegen ontdekten opnieuw of voor het eerst het landschap, het stilleven of zelfs het gezicht als handreiking tot abstracte schildertaal. Veel kunstenaars uit deze periode realiseerden zich dat de persoonlijk doorleefde subjectiviteit zijn plaats moest krijgen binnen de abstracte kunst wilde deze niet tot doodse objectiviteit vervallen, of tot de alsmaar herhalende plaatjesmakerij van mystieke symbolen.
De tweede golf van de abstracte kunst kende veel minder sterk die uitgesproken dogmatische, theorethische begeleiding van tekst en woord van de eerste golf. De tweede golf lijkt zich te hebben samengestuwd rond de individuele ervaring, rond het ruwe ik. Er lag minder de nadruk op het kunstwerk zelf, maar des te meer op wat het kunstwerk doet naar de kunstenaar die haar maakt en naar de kijker die haar beleeft. Natuurlijk werd ook hier gecanonniseerd, o.a. door de oudere kunstenaars van de eerste golf zoals een Albers en andere Bauhaus-adepten. En ook werden de dogma's uit de eerste golf dankbaar gebruikt door de nieuwe dogmatici van 'het platte vlak', de blijvende illusie, die zelfs op haar hoogtepunt van de 'hard edge' geen echte werkelijkheid heeft kunnen worden. Ik zie dit dogma van de abstracte kunst als haar altijd aanwezige zelfmoordenaar, o.a. verwoord door Piet Mondriaan zelf, waar hij schrijft over de noodzaak tot destructie.
Het gebod van het platte vlak in de abstracte kunst heeft twee kanten. Zij vormde een zwaartekrachtpunt -met name door haar dogmatisering- die in staat was om de vele gevarieerde oriëntaties in en rond de abstracte kunst bijeen te houden en hen een identiteit te geven. Kunstenaars konden zich aan haar profileren. De prijs hiervoor was haar vernietiging van de ruimte in de abstracte schilderkunst, zowel in gedachten als zichtbaar in de kunstproducten zelf. In het tijdperk waarin de ruimte en de diepte door de mensheid fysiek werd ontdekt en betreden (het vliegtuig en de eerste noties van een mogelijkheid tot het bouwen van een raket) werd zij verbannen in de beeldtaal en het denken. Vier eeuwen schilderen werden angstig genegeerd.
Het gaat me hier niet om het kort door de bocht typeren van kunst of kunstenaars, maar om het aanduiden van de tegengestelde en veelsoortige krachten waarin en waarmee de abstracte kunst zich heeft moeten ontwikkelen.
De citaten van de aangehaalde kunstenaars illustreren, nee, zijn het zoeken en het denken binnen de abstracte kunst, zoals dat zichtbaar door hen tot beeld wordt gebracht, en in woord en theorie wordt uitgewisseld, ontkend of gecanoniseerd.
Het kan daardoor niet anders zijn dat we als levende mens een haat-liefdeverhouding hebben ten opzichte van de abstracte kunst, die immers teert op het levende. Instinctmatig voelen we vaak aan dat de wisselwerking hierin ontbreekt. Ik heb als kunstenaar lang geaarzeld om haar gevoelsmatig als mijn achterland te erkennen omdat ik lange tijd vooral het dodende aspect van de abstracte kunst zag; ik onderkende te weinig haar weerbaarheid daartegen hoewel ook die bewijzen overvloedig om me heen lagen en hingen. Musea hebben hierin ook hun aandeel (gehad) omdat de dodende kant van de abstracte kunst juist door hen zo vergoddelijkt wordt. Waarschijnlijk zijn de abstracte canons een gemakkelijke vervanging geweest voor de weggevallen godsdienst, ze zijn ook zo prettig maatschappelijk en sociologisch te duiden.
Met het erkennen van de abstracte kunst als mijn achterland realiseer ik me dat ze onderdeel is van de werkelijkheid die immers werkt in krachten en tegenkrachten. Daardoor is zij juist ongemeen boeiend en vitaal, en met haar de abstracte kunst. De natuur zelf doet het niet anders met haar jaargetijden.
Het pleit voor het levenspotentieel binnen de abstracte kunst dat ze haar verleden kan accepteren als de traditie van zichzelf en tegelijkertijd het innerlijke élan bezit om de begrenzingen uit haar verleden zelf te ondermijnen zodat ze verder kan groeien. Beide krachten doen haar bestaan. Ik realiseer me dat de dogma's binnen de abstracte kunst haar hebben bijeengehouden; het zijn en waren centrifugale krachten. Zonder hen was zij versplinterd en uiteengevallen tot onherkenbaar identiteitsloos gruis. Tegelijkertijd vereist zij de moed om haar intuïtieve kracht als noodzakelijke bron te accepteren, die de dogma's kan doorbreken.
Ik vind het een uitdaging om in de vorm van citaten van de kunstenaars zelf deze innerlijke kracht en tegenstelling van de abstracte kunst te laten zien, samen met de vele posities die zich in haar voordoen. Ik handhaaf daarmee mijn enigszins naïeve illusie dat we zo dichter bij de bron blijven van het ontstaan en de ontwikkeling van de abstracte beeldtaal zelf. Als kunstenaar heb ik dan maar recht op die illusie! Een illusie, omdat de kunstenaars zich natuurlijk ook bedienden van de algemene inzichten, zoals ieder mens dat doet en moet doen. Maar wel is op te merken dat het de kunstenaars zijn die deze inzichten moeten beoordelen naar hun beeldende, zichtbare intentie. Hoe komt denken tot een beeldvorm?
Ik zie de hier verzamelde citaten en uitspraken als een ode aan de abstracte kunstenaars en aan hun inspanningen om nieuwe werkelijkheid te scheppen. Ze droegen en dragen zo hun steentje bij aan de totale menselijke ontwikkeling, zoals ook wetenschappers dat doen en stratenmakers.
Binnen enkele honderden jaren zijn de eerste mensen op weg naar de dichtstbijzijnde sterren. De mensheid zal met deze stap mentaal een enorme confrontatie ondergaan omdat de zwaarte, de leegte en de onmetelijkheid van het heelal voor het eerst met practische ervaringen gaat binnenkomen in ons bewustzijn. Op de langere termijn zal de mensheid steeds vaker en intensiever mentaal en fysiek de kracht en de inwerking van de kosmos moeten weerstaan, wil ze zich verder in haar kunnen nestelen. Ik heb het voorgevoel dat de abstracte beeldtaal binnen de kunst een soort mentale voorbereiding is op deze komende krachtsinspanning. Niet voor niets waren er veel kunstenaars in de abstracte kunst die de relatie met de ruimte en de ruimtelijkheid zo sterk benadrukten: Malevich, Moholy Nagy, Fontana, Manzoni, Yves Klein. Een uitgesproken voorbeeld en eerste verwoorder is Malevich die op mentale wijze het aardse fysieke bestaan inruilde voor de door hem gehoorde roep vanuit de kosmos; de mensheid had een taak naar de kosmos toe! De ruimte riep hem maar roept ons blijkbaar nog steeds. We spenderen immers honderden miljarden en veel mensenlevens om haar beter te leren kennen en haar te betreden.
Een bijzondere eigenschap van de abstracte kunst is dat ze praktisch is: toegepast in haar beeldtaal zelf. Een idee, een ingeving, inval, dogma moet wil ze kunst worden eerst tot beeld komen. En met name in de abstracte kunst wordt zij niet snel afgebogen naar een al bestaande betekenis. Want juist daar kan zij eerst een tijdje haar vrije val behouden en zich laten botsen tegen het onbekende. Zo zal ook het tegemoet treden van de kosmos praktisch plaatsvinden; de mensheid zal zich moeten verstaan met een grote onbekendheid en onzichtbaarheid. Ze kan zich hierin niet mentaal voorbereiden met de grote kultussen van het onzichtbare; het christendom, boeddhisme, de metafysica of verwante gebieden van denken of geloven. Want de ruimte zal in onze geest praktisch tegemoetgetreden moeten worden.
De confrontatie met de kosmos zal allereerst een mentale en emotionele ervaring zijn en gerealiseerd moeten worden in praktisch handelen. Daar liggen in mijn ogen de parallellen met de inwerkingen van de abstracte kunst die nu al enige decennia maatschappelijk werkzaam zijn. Want welke mens uit 1920 zou de weg kunnen vinden in een modern station, op onze autoweg of op het Internet zonder de abstracte beeldtaal die ons al tientallen jaren omringt en die we gedurende tachtig jaar hebben leren lezen. Onder andere door de inwerking van de abstracte kunst. Het is een verleidelijk en voor de hand liggend voorbeeld op praktisch niveau, veel gemakkelijker aan te duiden dan de mentale inwerkingen van onbekende ruimte-oriëntaties of het kunnen verdragen van onzichtbare zaken. De zaak ligt moeilijker dan wegwijzeren. Ons denken zelf zal zich moeten laten ondermijnen. Met hoeveel druppels is een golf een golf? Een snaar een snaar? Vanaf welke plek kan je zeggen 'golf' Kan dat ook binnen de golf? En waar zitten wij? Kan je binnen de golf de golf weten? Met die vragen gaat de grote ruimte ons confronteren.
Fons Heijnsbroek.

stuur een e-mail.
|