| Philip Guston, citaten en uitspraken van de kunstenaar Guston, Philip (1913 - 1980)Wat men ziet en wat men het schilderij noemt is dat wat overblijft, een getuigenis. Zelfs als men in het schilderij naar een staat van 'onvrijheid' gaat waarin slechts beperkte dingen kunnen gebeuren, moet toch onverklaarbaar het onbekende en vrije tevoorschijn komen. Meestal ben ik een tijd aan een schilderij bezig totdat het moment komt waarop het gevoel van het eigenmachtige verdwijnt, en de verf op de plaats valt waar die moet zijn. Het schilderen op zich, de verfstof en de ruimtes, verzetten zich zo tegen de wil en ze zijn op die manier ongenegen om hun vlak te laten gelden; en ze blijven desondanks. Schilderen lijkt een onmogelijkheid met slechts nu en dan een teken van zijn eigen licht; hetgeen nodig is vanwege de subtiele overgang van een lijnenspel naar een andere staat, een lichamelijkheid. In deze zin is het schilderen eerder te zien als een bezetenheid dan als het tot stand brengen van beeld. Het verlangen om me direct te uiten werd tenslotte zo sterk dat zelfs het moment waarin ik me opzij naar mijn palet bewoog me te lang duurde. Daarom zette ik op een dag een groot doek voor mijn neus en hield het palet voor mijn buik vast. Ik dwong mezelf om het hele doek te beschilderen zonder achteruit te lopen om het te bekijken. Ik herinner me dat ik het schilderij toen in een uur schilderde. Het is me niet altijd gegeven om te weten wat mijn schilderijen 'bedoelen te laten zien'. Ik weet dat ik met een spanning werk die wordt opgeroepen door de tegenstellingen die binnen het schilderen bestaan. Ik werk door aan een schilderij, totdat het moment komt waarop deze paradox wegvalt en er niet langer meer sprake is van een bewuste keuze. Ik denk bij schilderen meer in termen van dit drama dan aan 'natuurlijke krachten'. Er kleeft iets belachelijks en vrekkerigs aan de mythe die we geërfd hebben van de abstracte kunst, dat de schilderkunst autonoom en puur is en slechts zou bestaan voor zichzelf (vgl. bijv. Mondriaan, fh). Vandaaruit analyseren we gewoonlijk zijn ingrediënten en definiëren zijn grenzen. Maar schilderen is 'onzuiver'. Het is juist de aanpassing aan zijn 'onzuiverheden' die het schilderen doet doorgaan. We zijn plaatjesmakers en de plaatjes dresseren ons. Er bestaan helemaal geen 'kromme of rechte lijnen'(vgl. Klee, fh) of wat voor andere elementen dan ook. Je werkt net zolang door totdat die verdwenen zijn; het schilderij is nog niet klaar zolang je die zaken kan zien. Ik weet van mezelf dat ik 20, 25 jaar geleden dezelfde dingen schilderde maar ik veegde ze toen weg. Dan vraag ik mezelf vervolgens af: 'Waarom haalde ik ze toen weg?' Ik was er toen nog niet klaar voor; het is het enige antwoord dat ik kan vinden. Je moet niet denken dat ik verrukt was van wat ik toen maakte, want dat was ik bepaald niet. Ik ben een nachtschilder, dus als ik de volgende dag met lood in mijn schoenen mijn atelier binnenkwam was het delirium voorbij. Ik was doodsbang om te zien wat ik die vorige nacht gedaan had; 'Mijn god, heb ik dat gemaakt?' Dat was de enige maatstaf die ik had; het trillen op mijn benen: 'Is dat van mij; heb ik dat gemaakt?' Is het schilderen een gigantische voorzorgsmaatregel om de onbeweeglijkheid te voorkomen; een bepaalde wijsheid die de gedeeltelijke twijfel in zich draagt over de uiteindelijke bestemming van de vormen? Het zou deze twijfel kunnen zijn die alles doet bewegen en zijn plaats geeft. Het (schilderen, fh) is een lange voorbereiding voor die paar ogenblikken van onschuld. ![]() stuur een e-mail. |