Neo-plasticisme oftewel de 'Nieuwe Beelding'

moderne kunst-richtingen d.m.v. tekstfragmenten van Jacob Bendien

tekstredactie Fons Heijnsbroek

* klik op een cijfer voor de afbeelding bij de tekst

In 'Cercle et Carré' nr. 2 van 1930 schrijft Mondriaan:
'..Tot nu toe heeft de mens zich in slaap laten wiegen door de pathetische lyriek. Daarom is ze noodlottig voor de evolutie van de mens, voor zijn doen en laten, zijn noodzakelijke strijd voor evenwicht. Aan de andere kant heeft zij de mens verzadigd van tragiek: zij heeft de tragiek zozeer bezongen dat de mens er genoeg van heeft gekregen. En reeds heden is het merkbaar, dat men poogt haar uit de kunstvoorstellingen te bannen. Zo bereikt de kunst tenslotte toch haar doel: voert de evolutie naar evenwichtigheid..'

Niet alleen in de uitbeelding , maar ook ten aanzien van het onderwerp leggen de Neo-plastici (o.a. Mondriaan, Van Doesburg en de Belg Vantongerloo, fh) zich beperkingen op. Zij sluiten namelijk alle individuele leven -in het algemeen elk bijzonder geval - uit, en zoeken zich in hun werk op te heffen tot een meer abstract en universeel leven, waar voor toevallige bijzonderheden geen plaats meer is.

Waarom zou wat in de muziek niemand bevreemdt in de beeldende kunst onmogelijk zijn? Voorstellingsloze kunstwerken dikwijls onderling te vergelijken (1, 19) is naar onze ervaring de vruchtbaarste manier om onze ontvankelijkheid ervoor te oefenen.

De bijgevoegde (zwart/wit-, fh) reproducties van neo-plastische kunst zijn niet altijd geschikt. Een neo-plastisch schilderij is zo'n subtiele organisatie dat door het ontbreken van de kleur het verband geheel verloren gaat.

Wat het onderwerp betreft is juist hun streven in tegenstelling met dat van de individualistische schilders gericht op wat zij zelf het universele of kosmische noemen.

Maar ook in de uitbeelding onderwerpt de Neo-plasticist zich aan dezelfde strenge middelen en zal zijn individualiteit zich slechts uitspreken in de hantering van deze middelen, wat blijkt uit de verhoudingen van de compositie, het ritme, de factuur (de wijze waarop men de verf aanbrengt) en, voor zover mogelijk, uit de kleur.

Alle overheersing van het individuele wordt overigens door de Neo-plasticist zonder verdere motivering voor grilligheid en willekeur uitgemaakt, tegen welke bewering nogal wat is in te brengen.

De Neo-plastici (1, 9, 19) gaan echter nog verder. Zij sluiten niet alleen de lyrische en dramatische ontroering uit, maar èlke vorm van lyriek en dramatiek, ook de droge lyriek (8, 18, 48) en de droge dramatiek (27).

Hun kunst is beeldend, dat wil zeggen dat de geometrische middelen en hun onderlinge verhoudingen die bovendien evenwichtige verhoudingen moeten zijn, op zich zelf direct tot het gevoel behoren te spreken, en niet indirect als min of meer abstracte uitbeelding van de realiteit zoals bijvoorbeeld vele werken van Cubisten (8, 18) en Puristen (17).

Maar eveneens zijn alle begrensde gesloten geometrische figuren (16, 20, 22) voor hen 'beschrijvend', 'individueel', teveel bepaalde 'vorm'. Zij voelen zich in een figuur opgesloten, van de totaliteit van het leven -van het universele- afgesneden.

Al deze figuren woorden door de Neo-plastici 'vorm' genoemd. Vorm, zowel open als gesloten, drukt altijd onvrijheid uit, hetzij een burgerlijke engheid, hetzij 'natuurlijke' gebondenheid zoals de Neo-plastici dit noemen.

In het algemeen gebruiken zij alleen middelen waarvan de afzonderlijkheid kan worden gebroken of vernietigd. Dit zijn middelen, die tegelijk met hun tegendeel aangewend kunnen worden, zoals de rechte lijn met haar rechthoekige tegenstelling (1, 9, 19). Door deze beide samen te gebruiken kan haar 'individualiteit' worden opgeheven. Zij worden dan ook universele middelen genoemd.

Deze rechthoekig op elkaar geplaatste rechte lijnen vormen echter in het neo-plastische schilderij rechte hoeken en rechthoeken, ja het gehele schilderij bestaat alleen uit deze figuren, wat in tegenspraak schijnt met het vermijden van de vorm. Dit blijkt echter voor ons gevoel niet het geval te zijn wanneer aan de hoekpunten van een van de elkaar ontmoetende lijnen worden doorgetrokken, en wanneer daarbij bovendien de rechthoekvorm door de zwaarte van deze lijnen duidelijk wordt overheerst en vernietigt.

Dat de Neo-plastici het vlak als vlak erkennen en gebruiken en er geen drie-dimensionele schijnruimte of schijngat van maken hoeft nauwelijks meer gezegd te worden. Drie-dimensionele ruimte zou hier het scheppen van vorm slechts in de hand werken en bovendien een bedrieglijke vorm (20). Ook het niet effen invullen van de vakken zou hier 'beschrijvend' werken en bovendien de kleur vertroebelen (8, 20).

Niet alleen bepalen de Neo-plastici zich uitsluitend tot de grondkleuren rood, geel en blauw, maar zij gebruiken deze zelfs hoe langer hoe minder alle drie tegelijk. Meestal kiezen zij uit de verstandskleuren die alleen symbolisch contrasteren, en daarom samen gebruikt min of meer universele middelen zijn.

Evenals de verstandslijnen sluiten ook de verstandskleuren alle lyrische en dramatische ontroering uit, kortom elke stemming. Slechts een actieve gesteldheid (19), geen passieve gestemdheid (11) vermogen zij weer te geven. Zij voeren ons niet mee zoals de vloeiende overgangen van de gevoelskleuren. Als blote feiten staan zijn voor ons en tegenover elkaar.

De Neo-plastici verwerpen alle eenheid door gelijkheid, zij zoeken alleen eenheid in contrastwerking, die zowel innerlijk als uiterlijk moet zijn. Door de min of meer contrasterende verstandskleuren tot evenwicht of harmonie te brengen door bepaalde plaats, stand en afmeting wordt deze eenheid gerealiseerd.

Hier kan geen sprake zijn van een passief meedrijven in aangename rust. Dit vraagt een wakker meedoen met de strenge bedrijvigheid van de kleuren waarvoor een veel fijner en ontwikkelder kleurgevoel wordt vereist.

Volgens de theoretische uiteenzettingen van de Neo-plastici - gelukkig niet in hun werk - is het bij het tot evenwicht brengen van de 'universele' verstandslijnen en verstandskleuren voor hen niet zozeer de vraag wàt voor evenwicht zij beelden, maar vooral dàt zij evenwicht beelden. Evenwicht echter van 'zuivere' contrasterende middelen, omdat alleen zulk een evenwicht zelf ook zuiver is.

Geen verstandsevenwicht evenwel in die zin, dat het met het verstand zou zijn te construeren,. ..maar een gevoelsevenwicht, een evenwicht dat alleen voor het gevoel bestaat. De Neo-plastici noemen dit gevoelsevenwicht (zij spreken van geestesevenwicht) de zuivere uitbeelding van het kosmische of universele evenwicht.. .Beter zouden wij het kosmische evenwicht het onderwerp van neo-plastische kunst kunnen noemen.

De Neo-plastici die zich geheel op het absolute instellen zien het leven in alle opzichten als een streven naar evenwicht tussen uiterste tegendelen: man-vrouw, objectief-subjectie, universeel-individueel, innerlijk-uiterlijk, enz. Nu eens overheerst het ene, dan het andere.

Het ideaal is evenwel dat beide uitersten, door elkaar volledig mee te laten gelden wat tegelijk een opheffing is van eigen afzonderlijkheid, aldus in gevoeligste spanning tot evenwicht komen.Zo is voor hen ook de ware universele schilderkunst niet anders dan een uitbalanceren van de tegengestelde universele middelen.

Dit schilderkunstige evenwicht is volgens de Neo-plastici de objectivering van onze tot rijpheid gekomen individualiteit ('natuurlijkheid') die zich levend, dat is ook met het gevoel, bewust is geworden van haar samenhang met het universele leven, -zich in het kosmische verband voelt opgenomen.

'In wezen echter, hoewel uit de materie geboren, bestrijdt de kunst de materie. Deze vijandigheid groeit naarmate de materie zich naar buiten in de verschijning dringt. De innigste kunst kleedt zich in de minst capricieuze (grillige, fh) verschijningsvorm'. Aldus Mondriaan in Neue Gestaltung, één van de Bauhausboeken, blz 36 (vertaling, fh).

Al krijgt dus het kunstwerk eerst zijn waarde door de beleving van het idee, de kunstenaar schijnt het toe alsof het de volheid van het idee zelf is waarin hij zich verliest. Want in zijn ontzag voor die idee en in zijn behoefte om haar te dienen wil hij er niet van weten dat het idee slechts het inspirerende moment is, en hijzelf de schepper van haar volheid.

Wanneer echter de middelen van de Neo-plastici alle uitdrukkingsvermogen zouden missen en slecht ertoe dienen om het vlak evenwichtig in te delen, dan zou hun kunst -zij het ook uiterst vaag- wel de rustige grootheid en adel van hun stijlprincipes tot uitdrukking kunnen brengen, maar niet de volle uitbeelding kunnen zijn van een leven door deze stijl beheerst.

De Neo-plastici doen ons inziens zichzelf tekort met de bewering, dat zij alleen door verhouding van nietszeggende middelen (met name kleur, vlak en ook ritme, fh) evenwicht beelden. En dit is te meer jammer, omdat hun kunst op velen de indruk maakt, dat deze onbewuste zelfbeschuldiging van geestelijke armoede ook ten volle is verdiend, terwijl toch, voor wie deze kunst dieper op zich kan laten inwerken dit volstrekt niet het geval is.

Bovendien wordt het karakter van een kleur voor een aanzienlijk deel bepaald door het materiaal waarvan het gemaakt is. Of een rood, een geel, een blauw bijvoorbeeld transparant is dan wel dekkend, is van groot belang. Wat blijft er dan over van de zuiverheid van de kleuren?

De uitdrukkingsmiddelen van de Neo-plastici zijn dan ook vooral in hun onderling verband voor ons niet zo uitdrukkingsloos dat wij zouden spreken van 'zuivere' middelen, in de zin die de Neo-plastici daaraan hechten.

Maar toch eerst door gebruikmaking van de symbolische werking van hun beeldingsmiddelen worden deze voldoende onzuiver om de uitbeelding van een rijk beleven van een op-zich-zelf-arm evenwicht mogelijk te maken. De Neo-plastici zelf echter verwerpen.. ..nadrukkelijk iedere symboliek. Geheel te ontgaan is ze ons inziens niet.

Mondriaan en Van Doesburg noemen het woord 'symbool' wel, echter gebruiken zij het alleen in de ongunstige betekenis van allegorie. Kandinsky evenwel toont zich minder bevreesd. Zo zegt hij in zijn Bauhasbuch 'Punkt und Linie zur Fläche': 'Natuurlijk kan slechts dan de nieuwe kunstwetenschap ontstaan wanneer de tekens zich omzetten in symbolen en het open oog met het open oor de weg van zwijgen naar spreken mogelijk maken. Wie dat niet kan laat liever de thoeretische en 'practische' kunst met rust.'

Wat de Neo-plastici noemen het 'tot evenwicht brengen van de beeldende middelen' is ons inziens - dikwijls onbewust, tenminste bij Mondriaan vooral in zijn latere werk - ..een aan elkaar vormen van symbolen en een aan elkaar afwegen van de kracht en de zwaarte hunner functie.

Wanneer dan ook een of ander symbool alleen suggestieve kracht bezit, indien het alle andere aangewende symbolen overheerst zullen de Neo-plastici in geen geval van dit symbool gebruik maken,.. ..bijvoorbeeld een groot zwart vierkant op een witten achtergrond. Dit symbool, door de Neo-plastici genegeerd, heeft bijvoorbeeld bij de Suprematist Malewitsch een belangrijke rol gespeeld (Malevich noemt zijn zwarte vierkant een icoon van de moderne tijd, fh).


Natuurlijk erkent de Neo-plasticist zelf niet dat zijn stijlprincipe er een is naast vele andere. Volgens hem is zijn stijlprincipe, het opheffen van tegenwaarden, hèt stijlprincipe en hèt levensprincipe tevens.. .Maar het stempel van minderwaardigheid waarmee zij andersdenkenden bedreigen, verhindert ons niet het Neo-plasticisme als slechts één bepaalde vorm van stijl te beschouwen.

Dat het Neo-plasticisme inderdaad ooit tot een algemene levensstijl zal uitgroeien valt moeilijk aan te nemen. Maar in ieder geval kunnen we vaststellen dat Mondriaan, de schepper van het Neo-plasticisme en Van Doesburg, van wie het werk toch slechts door zo weinigen wordt verstaan, op de bouwkunst in bijna alle landen direct of indirect van grote invloed zijn geweest (32).

Het (latere, fh) Elementarisme van Theo van Doesburg (6) is voortgekomen uit het Neo-plasticisme (19), maar juist wat haar wezen betreft heeft het Elementarisme een zo radicaal mogelijke verandering ondergaan.



aanvullende websites:

- Piet Mondriaan schrijft over de Nieuwe Beelding

- over Mondriaan en over de wetten van de Nieuwe Beelding

- de nieuwe vormen van waarneming in het werk van Mondriaan